Doos van Oudinot

‘Een Amsterdamse doos in een Oosters kistje, 
een cadeau voor de machtigste man in Nederland’

Doos: Jacobus Carrenhoff, Amsterdam, 1809, hoogte 12 cm, breedte 17 cm, diepte 11,6 cm; kistje: Oosters (Martens-Mulder Stichting)

Een oud zilveren kistje uit het Oosten, uitgevoerd in een bijzondere techniek, waarvoor een Amsterdamse zilversmid in 1809 een doos maakt die er op de millimeter precies inpast. Een uniek stuk zilver? Ja én nee. Ja, omdat het een uitzonderlijk cadeau betreft voor een Franse maarschalk die niet lang erna de machtigste man in Nederland zal zijn – ook al is hij dat maar gedurende korte tijd.[1]  Nee, omdat blijkt dat het kistje, hoe opmerkelijk de ouderdom, herkomst en techniek ook mogen zijn, in een reeks op de markt werd gebracht… 

Een doos en een kistje

Het contrast tussen beide zilveren stukken is fascinerend: een kistje uit de 18de, misschien wel 17de eeuw, geheel vervaardigd uit krullend draadwerk, en daarin een gladde doos uit 1809, vervaardigd door de bekende zilversmid Jacobus Carrenhoff en geleverd door de niet minder bekende detaillist Willem Diemont, beide werkzaam in Amsterdam. 

Op het eerste gezicht zou de doos aangezien kunnen worden voor een dan populair type koektrommel, bedoeld voor oubliekoeken, al zijn deze rechthoekige trommels wel een slag kleiner. Typisch is de gladde en strakke uitvoering, hier slechts onderbroken door een concave welving die naar het scharnierende deksel voert. De eigenlijke decoratie bestaat uit niet meer dan een mechanisch vervaardigde palmettenrand tussen profielranden. Intrigerend is de op het deksel gegraveerde inscriptie ‘de mes aides de camp’ (van mijn adjudanten), gevolgd door zeven namen. Op het deksel is een in reliëf uitgevoerd monogram ‘CO’ aangebracht. 

 

Duidelijk is te zien hoe het kistje is opgebouwd uit filigrain‘paneeltjes’. 

Het kistje heeft eenzelfde vorm, zij het dat geen concave, maar een convexe welving werd toegepast. Ongewoon is de zogeheten filigraintechniek. De wanden en bodem bestaan niet uit massief zilver, maar uit met grote precisie aan elkaar gesoldeerd draadwerk in de vorm van symmetrische voluten. Of eigenlijk betreft het paneeltjes die met deze patronen gevuld zijn. Ook de convexe rand en de verhoogde bovenzijde van het deksel tonen deze techniek. Het kistje rust op vier gedrukt bolvormige pootjes, het deksel heeft een bloemvormige sluiting. 

Carrenhoff leverde maatwerk: zijn zilveren doos past (héél) krap in de filigrain kist. De laatste past weer heel precies in een foedraal van rood marokijnleer, versierd met goudstempeling, óók aan de onderzijde. Het ‘etui’ is gevoerd met zwart fluweel; de sluithaken, scharnieren en pootjes zijn van zilver.

 

De epauletten van Nicolas Charles Oudinot tonen de vijf generaalssterren, gecompleteerd met gekruiste maarschalksstaven. Dit embleem komt terug bovenop het kistje van filigrain. 

Lévezou de Vesins, Portret van maarschalk Oudinot, olieverf op doek, 80 x 63 cm (verblijfplaats onbekend).

Nicolas Charles Oudinot

Het cadeau is bestemd voor Nicolas Charles Oudinot (1767-1847), een Franse militair met een indrukwekkende carrière.[2] Als 17-jarige was hij als vrijwilliger het leger ingegaan en vanaf de revolutiejaren klom hij alsmaar op, om onder keizer Napoleon in 1809 benoemd te worden tot ‘Maarschalk van Frankrijk’. Deze eretitel wordt dan toegekend aan generaals met uitzonderlijke verdiensten, commandanten van grotere legerverbanden (corps). Waar een generaal vijf sterren droeg, droeg een ‘Maréchal de France’ er zeven. Tot de vaste attributen van een maarschalk hoorde bovendien een blauwe staf (baton), tijdens het keizerrijk steevast versierd met adelaars. Niet voor niets lieten Oudinots zeven adjudanten het cadeau op het deksel voorzien van 

een embleem: twee gekruiste batons (vgl. afb. hieronder). Heel nauwgezet zijn hierop adelaars met gespreide vleugels gegraveerd.

Links het bronzen beeld (Jean-Baptiste Debay fils) dat in 1850, drie jaar na de dood van maarschalk Oudinot, werd onthuld in zijn geboortestad Bar-le-Duc. Het verkleinde beeldje rechts werd toen aangeboden aan zijn nazaten.

De maarschalksstaf met de adelaarsfiguren erop. Links de staf van een bronzen beeld van Oudinot in zijn geboortestad Bar-le-Duc (Jean-Baptiste Debay fils, 1850), rechts een detail van de kruislingse staven op het filigrain kistje (ws. Jacobus Carrenhoff, 1809) 

Oudinot speelde een grote rol in het napoleontische Nederland. Aanvankelijk had de keizer hier zijn jongere broer Lodewijk Napoleon tot koning benoemd. Tussen die twee ontstaan echter toenemende conflicten: Lodewijk Napoleon komt op voor de Nederlandse belangen en weigert om louter als zetbaas te fungeren. Als hij zich niet tot de orde laat roepen wordt eerst het deel van Nederland beneden de rivieren bij Frankrijk ingelijfd. Het is Oudinot die deze gebieden inneemt en vervolgens met zijn troepen optrekt naar Amsterdam. In opdracht van de keizer bezet hij in 1810 het hele ‘Koningrijk Holland’ op resolute, maar uiterst tactvolle manier, ‘met veel kieschheid en verschooning’.[3]  Nog geen drie dagen nadat koning Lodewijk Napoleon op 1 juli uit Amsterdam moet vertrekken, houdt Oudinot er zijn intocht. Tot 14 juli is hij bewindvoerder in Nederland en daarmee de machtigste man in het land. Als hij vertrekt, wordt Oudinot door de stad een kostbaar degen met een met diamanten bezette greep aangeboden, als dank voor de – zo wordt het later verwoord – ‘menschkundige, ridderlijke wijze, waarop de maarschalk het gevoel der Hollanders had weten te ontzien’.[4]  Koning Willem I zal hem zelfs in 1816 benoemen tot Commandeur van de Militaire Willems-Orde.

 

Mattheus Ignatius van Bree, De intocht van Napoleon te Amsterdam, 9 oktober 1811, 1812-1813, olieverf op doek, 410 x 580 cm (Amsterdam Museum)

Napoleon neemt in Amsterdam de stadssleutels in ontvangst van burgemeester Willem Joseph baron van Brienen. Oudinot, die de intocht moest voorbereiden, is te paard afgebeeld achter de burgemeester.

Terug in Frankrijk wenst Oudinot te hertrouwen, maar Napoleon stuurt hem eerst terug naar Nederland om zijn bezoek voor te bereiden. Op 9 oktober 1811 vindt in Amsterdam de intocht plaats van de keizer met zijn gevolg. Een bijna zes meter breed olieverfschilderij herdenkt hoe de keizer daar de stadssleutels in ontvangst neemt.[5]  Schuin achter de burgemeester is Oudinot afgebeeld, net als de rest van de staf hoog te paard. Pas hierna was de weg vrij voor zijn huwelijk. ‘Partez, allez épouser Mlle de Coucy’, zo zou Napoleon naar verluidt gezegd hebben, ‘je vous donne mon entier assentiment’.[6]  ‘Vertrek, ga mademoiselle De Coucy trouwen, ik geef u mijn volledige instemming.’ Als de nieuwe echtgenote later de ceremonie beschrijft, blijven twee zaken niet onvermeld: het imposante maarschalksuniform en ‘le magnifique glaive d’Amsterdam’ (de schitterende degen van Amsterdam).[7] 

Terwijl op het kistje twee gekruiste maarschalksstaven werden aangebracht, waarschijnlijk door Carrenhoff, werd ook de doos gesierd met een reliëf: het monogram ‘CO’. Ofschoon de roepnaam van Oudinot weliswaar Charles was, betreft het vermoedelijk een andere Charles: de oudste zoon (1819-1858) uit zijn tweede huwelijk. In lijn met de carrière van zijn vader zou deze zoon luitenant-kolonel bij de infanterie worden en waarschijnlijk liet hij zijn initialen plaatsen toen de doos een erfstuk werd.

Dubbelgangers, soms gezien als Nederlands werk

Dergelijke filigrain kistjes dateren uit de 17de of 18de eeuw en zijn waarschijnlijk koloniaal, al is er geen consensus over de precieze herkomst.[8]  Gedacht wordt aan Goa in het westen van India, in handen van de Portugezen, of Zuidoost-Azië, in het bijzonder Batavia, standplaats van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Ook aan mogelijk Chinese werklieden in Gujarat, aan de noordwestelijke kustlijn van India, wordt dit filigrainwerk wel toegeschreven. Carrenhoff is niet de enige die soortgelijke kistjes voorziet van een ‘binnenkist’. Dat wordt aan het einde van de 18de en begin van de 19de eeuw ook gedaan door andere Amsterdamse zilversmeden. Een exemplaar dat Reynier Brandt (1780) levert, fungeert als theekist, Diederik Lodewijk Bennewitz houdt het bij met zilver gemonteerde kristallen theeflessen (ca 1825).[9] 

Het kistje met daarin drie theebusjes, in 1875 gepresenteerd als ‘Friesche Oudheden’, werd lang toegeschreven aan een Leeuwarder zilversmid. Hij voegde alleen de greep en de theebusjes toe, misschien ook de pootjes. 

Curieus is een kistje met drie theebusjes, een set die in 1870 gepubliceerd werd als ‘Friesche Oudheden’ en zich bevindt in de collectie van het Fries Museum.[10] Ooit werd de Leeuwarder zilversmid Hendrik Dauw als de maker gezien, later werden alleen de zilveren busjes (1768) aan hem toegeschreven, overigens wel met een bovenzijde en dop versierd met draadwerk.[11] De filigrain kist komt echter weer uit het Oosten. Meer dan dat: de kist is nagenoeg identiek aan het exemplaar in de MMS-collectie. De overeenkomsten zijn verrassend. De grondvorm én versiering zijn gelijk; de afmetingen komen vrijwel overeen.

Nader onderzoek brengt aan het licht dat meer van dergelijke kistjes bewaard bleven. Ook hier wordt de Oosterse oorsprong niet altijd onderkend. Zo worden twee kistjes in de stadhuiscollectie van Middelburg onterecht toegeschreven aan de Middelburgse zilversmid Hendrik Boshart.[12] Eén ervan is weer een dubbelganger van het MMS-kistje, net zoals bijvoorbeeld een kistje in het Joods Historisch Museum, dat dienst deed als een etrogdoos.[13]

Kistje met drie theebusjes, in 1771 geleverd door Hendrik Boshart, Middelburg (Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Middelburg)

Kistje (Particuliere collectie)

[1] Collections du Château de Malicorne. Souvenirs historiques du Maréchal Oudinot (veilingcatalogus Artcurial, nr 3161, 13 juni 2017, nr 155: ‘Coffret rectangulaire en argent filigrané’.

[2] Gaston Stiegler, Le maréchal Oudinot, duc de Reggio, d’après les souvenirs inédits de la maréchale, Parijs 1894 (vertaling: Gaston Stiegler, Memoirs of Marshal Oudinot, Duc de Reggio, compiled from the hitherto unpublished souvernirs of the Ducchesse de Reggio, Londen (H. Henry & Co) 1896); (G.J.W.) Koolemans Beijnen, ‘Oudinot (Nicolas Charles)’, in: P.C. Molhuysen, P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. 3, Leiden, 1914, kol. 939-943.

[3] Theod. Jorisse, De ondergang van het koninkrijk Holland. Eene historische studie, Arnhem 1871, p. 160.

[4] Koolemans Beijnen 1914 (noot 2), kol. 942.

[5] Mathieu Ignatius van Bree, Het aanbieden van de verguld zilveren sleutels aan Napoleon bij zijn intocht op 9 oktober 1811, 1812/13 (Amsterdam Museum).

[6] Stiegler 1894 (noot 2), p. 127.

[7] Stiegler 1894 (noot 2), p. 133.

[8] Techniek: Zilver. Het wonder uit het Oosten. Filigrein van de tsaren (cat. Hermitage Amsterdam), Zwolle/Amsterdam 2006.

[9] Hubert Vreeken e.a., Goud en zilver met Amsterdamse keuren (cat. Amsterdams Historisch Museum, Amsterdam), Amsterdam/Zwolle 2003, nrs 95 (Brand: doos in kist), 141 (Bennewitz: twee theeflessen in kist). Toeschrijving van Vreeken, p. 191: ‘Vooralsnog is een Indonesische herkomst aannemelijk’. Een vergelijkbare combinatie (doos in kistje, 1792) wordt als geheel aan Anton Hinrich Pape (Amsterdam) toegeschreven in: John Endlich, Marius van Dam, Dick Endlich, John Endlich Antiquairs. Catalogus 2015, Haarlem 2015, p. 34-35.

[10] Friesche Oudheden. Afbeeldingen van Merkwaardige Voorwerpen van Wetenschap en Kunst, gevonden in de Archieven, Kerken, Kasteelen, Terpen enz. van Friesland, Leeuwarden (H. Kuipers) 1875, nr 4, p. 54-55; Johan ter Molen, ‘Nr 282. Theekist, Hendrik Dauw, Leeuwarden, 1768’, in: Johan R. ter Molen (red.), Fries goud en zilver, Gorredijk 2014, dl. 3, nr 282, p. 782-783.

[11] Als werk van Dauw: Fries zilver (cat. Fries Museum, Leeuwarden), Arnhem 1985 (tweede druk), nr 215, p. 138-139. Alleen busjes van Dauw: Jan van Campen, ‘“Een kleine ronde draadwerkse doosie’ en andere voorwerpen van zilverdraadwerk uit Azië’, Aziatische kunst, 31(september 2001), nr 3, p. 44-47, afb. 9. Van Campen beschouwt het kistje als Aziatisch werk, vermoedelijk Batavia.

[12] J. de Bree, Zeeuws zilver, voornamelijk met betrekking tot Middelburg, Schiedam 1978, nrs 10 (‘Hendrik Boshart, 1788/1790’), 153 (‘anonieme meester, 1771’); Roosanne Goudbeek, Meesterlijk zilverwerk, www.zeeuwsarchief.nl/zeeuwse-verhalen/ (geraadpleegd 3 januari 2023) (1789 respecievelijk 1771).

[13] Julie-Marthe Cohen, Jelka Kroger, Emile Schrijver (red.), Gifts from the Heart. Cerimonial Objects From The Jewish Historical Museum, Amsterdam, Zwolle/Amsterdam 2004, p. 134.